| |
| |
| |
| |
|
| |
|
| |
|
| UITWEIDING
28: HET KRUIS
In het christendom heerst het wijdverbreide idee, dat Christus aan een kruis gedood werd. Het Griekse woord “stauros”, dat in onze bijbels meest met “kruis” vertaald is, betekent echter “staak” of “paal”. Het kruissymbool of crucifix heeft waarschijnlijk een heidense oorsprong. Het ligt meer voor de hand dat Christus met boven het hoofd geheven armen aan een paal genageld werd en in deze houding stierf, dan dat hij met zijn armen uitgestrekt aan een kruis stierf. De hoog geheven handen zijn zowel een gebaar om aan te duiden dat Gods beloften vervuld zijn (Ezechiël 20:5,6,15; 36:7; 47,14), als ook een uitdrukking van het intensieve bidden (Klaagliederen 2:19; 1 Timoteüs 2:8, 2 Kronieken 6:12,13; Psalm 28:2) van Christus aan het “kruis” (Hebreeën 5:7). Christus zei dat hij, net als de koperen slang die op een staak verhoogd werd (Numeri 21:9 ) toen Israel door de woestijn trok, ook in het openbaar verhoogd moest worden (Johannes 3:14). Hier bracht hij het “kruis” dus in verband met de staak.] De roomskatholieke kerk hecht veel waarde aan de mystieke waarde van
het kruis. Hiervoor bestaan echter geen bijbelse gronden. Toch is het
kruis voor velen een Talisman, een fysiek teken van Gods aanwezigheid,
geworden. Men deed de mensen geloven dat men Gods aanwezigheid bewerkstelligen
kan door een crucifix (bv. als hangertje) te dragen, of door regelmatig
met één hand een kruis te slaan. De ware kracht van het kruis ligt echter
niet in de concrete vorm, maar in de associatie met Christus’ dood, bevestigd
door het geloof en de doop in Christus. |